(c) Lieven Van Assche
(c) Lieven Van Assche
Fri 27 Mar 12:50

Interview Kaat Lens

Sinds de ingrijpende renovatie is Werkplaats Walter 2.0 uitgegroeid tot een huis gevuld met diverse geluiden en disciplines. Met twee dozijn zijn ze intussen, de kunstenaars, makers en creative professionals. Hoog tijd om ze aan het woord te laten over wie ze zijn en wat ze doen. Als derde: Kaat Lens.

Ik ben Kaat Lens, schilder, en ik woon en werk in Brussel. Ik ben afkomstig uit Sint-Pieters-Leeuw in de rand rond de stad, maar heb altijd meer tijd in Brussel gespendeerd. Toch ben ik schilderkunst gaan volgen aan Sint-Lucas in Gent, en daar ben ik afgestudeerd in 2023. Je kon vrije kunsten studeren aan Sint-Lucas in Brussel, maar niet specifiek schilderkunst, en dat was wat ik wilde doen. Tijdens de verbouwingen van Walter kreeg ik hier in de buurt les in de ateliers van Jan De Cock in het Brussels Art Institute. Ik ben hier toen nog niet binnen geweest, maar kende de buurt daardoor al.”

Was schilderen altijd al je roeping?

“Ja! En ik heb het geluk gehad dat mijn ouders altijd al interesse hadden in kunst, en zelf ook in de kunst zitten. Dat maakte het wel makkelijker om die richting te kiezen. (lacht) Mijn moeder is illustrator. Mijn vader volgt nu les op de academie van Anderlecht, en dat is wel leuk. Spreken over kunst doe ik eerder met mijn vriend, die ook schilder is. Mijn ouders zeggen vaak dat het goed is, maar ik heb ook wel wat kritiek nodig, en ze zijn misschien wat te lief voor me.” (lacht) Nu werk ik deeltijds bij Academie SLAC in Leuven, dus ook in de cultuursector, waar ik graag in wil blijven. Ik vervang er tijdelijk iemand en solliciteer intussen voor iets anders. Twee-drie dagen per week ben ik hier in Walter.”

Iets over je werk: als ik je site bezoek, dan valt me op hoe coherent het aanvoelt. Ik ga er misschien onterecht van uit dat jonge kunstenaars voortdurend zoeken en verschillende dingen uitproberen, zowel qua inhoud als techniek. Bij jou zie ik veel dingen terugkomen. Klopt dat?

“Ik denk dat dat automatisch gaat. Ik werk vaak aan twee werken tegelijkertijd, waardoor het ene een reactie is op het andere. Veel elementen kunnen zo terugkomen. Intussen heb ik ook wel m’n eigen taal gevonden en probeer daarin te evolueren, want ik wil mezelf niet vastrijden. Momenteel ben ik veel bezig met werken waarbij je door deuren en ramen kijkt. Of een sleutelgat, waar je door kan gluren. Dat is een nieuwe draad in m’n werk en een soort van houvast voor mijn toekomstig werk.”

Hoe lang werk je aan een schilderij?

“Dat verschilt. Soms gebeurt dat in een week, als ik er een hele week mee bezig ben, maar soms werk ik er een paar dagen aan, en dan weer aan een ander werk, en dan werk ik er weer aan door. Dus ik weet niet hoe lang ik eraan werk, er is geen vaste termijn.”



Een paar andere kunstenaars hier in huis zeiden me eens dat het creatieproces soms een heel intense periode kan zijn, maar ook dat het soms maanden erna pas af is, of dat er dan nog iets aan toegevoegd wordt.

“Dat overkomt me ook. Maar ik kan ook soms vastlopen als ik er te lang mee bezig ben. Dan moet ik het loslaten. Als ik daar dan terug aan zou beginnen, dan is dat raar, want dan zit ik misschien in een andere fase. Het liefst van al werk ik door in een flow.”

Wat me ook opvalt: je werk is echt een explosie van felle kleuren. Is dat ook iets dat er altijd in zat?

“Als ik aan een werk begin, dan is dat vaak via iets dat ik in het dagelijkse leven zie. En dat heeft vaak met kleur te maken, met wat mensen aan hebben, hoe ze er uitzien. Dat is vaak het startpunt en daarna laat ik het meer los en gebruik ik mijn eigen fantasie om vrijer te kunnen zijn. Ik heb ook interesse in mode. Onlangs had ik een interview en kwam ik tot het inzicht dat ik net zo goed modeontwerper of interieurarchitect had kunnen worden, omdat dat vaak terugkomt in mijn schilderijen.”

Het sluit aan bij mijn volgende vraag, over iets dat ook op je site staat. Wat je vaak doet, is inzoomen of iets croppen. Je ziet in je werk vaak onvolledige mensen, of enkel een arm of been. Ook vaak ringen, juwelen en horloges. Van waar die voorliefde voor details en close-ups?

“Ledematen voeg ik vaak later toe als een extra oplossing voor de compositie, maar ook om beweging weer te geven, zodat de toeschouwer voelt dat er iets gebeurt. Ook door die ware grootte krijg je als toeschouwer het gevoel dat er iets gaande is. Dat doe ik graag. Het gaat voor mij ook iets vlotter dan kleinere werken schilderen, en het geeft de toeschouwer de kans om zich iets in te beelden. Of beter: het gevoel te hebben dat er iets kan gebeuren. Een deur gaat open of dicht, je komt in een scène terecht, zoals in een theaterstuk.”

Zijn die personen in je schilderijen geschilderd vanuit verbeelding, of gebruik je ook modellen of foto’s?

“Het is vooral verbeelding, maar wat kleding betreft verwijs ik wel vaak naar dingen die ik zag, zoals iemand die ik op straat tegenkwam met een specifiek kleed aan. Het roze kleed dat je daar ziet, is een verwijzing naar een Pradashow, maar na een tijd is het zo hard vervomd dat je het niet meer herkent. Dat is de verbeelding die aan het werk is.”

Ik was laatst op de grote Richter-tentoonstelling in Parijs, waar me pas duidelijk werd dat zijn figuratieve werk eigenlijk bijna altijd is gebaseerd op foto’s.

“Soms heb je ook een houvast nodig. Dan vraag ik me bijvoorbeeld af hoe zulke bloemen er uit zien, en dan moet ik dat ook opzoeken om ze te kunnen schilderen. Ik had die Richter-expo graag gezien, net als die van Philip Guston in het Musée Picasso.



Op je site staat dat je schilderijen een ontsnapping aan de realiteit bieden. Zoek je die vlucht of droomwereld bewust op?

“Mijn wereld is wat positiever dan de echte wereld. Als ik naar mijn werk kijk, dan wil ik daar gelukkig van worden. Als ik schilder, dan moet ik niet aan andere dingen denken, aan wat er écht gaande is. Op die manier is het wel een vlucht. Ik volg het nieuws wel, omdat ik dat belangrijk vind. Ik vind het egoïstisch als mensen niet willen weten wat er gebeurt in de wereld, zogezegd omdat ze er depressief van worden. Het is ook een privilege om dat te kunnen zeggen. Maar: als ik in mijn atelier zit, dan ben ik er niet mee bezig. Ik verwerk het ook niet in m’n schilderijen. Misschien komt dat later wel, maar nu doe ik dat dus niet.”

Als je schildert, ben je dan enkel met die activiteit bezig, of kan muziek je inspireren?

“Ik zet vaak muziek op in mijn atelier, maar na een tijd ben ik zo gefocust dat ik niet meer weet wat er rond me gebeurt. Soms luister ik naar de radio, maar ik heb ook wel playlists, al let ik er niet meer op. Dan komt er ineens een Donna Summer-nummer en dan is het wel “aaaaahhhh…” (lacht) Het is goed mogelijk dat mensen me hebben horen zingen, maar meestal verdwijnt die muziek na een tijd. Ook de muziekflarden die ik hier in het gebouw soms hoor, storen me niet. Het is dan ook coole muziek.” (lacht)

Heb je specifieke invloeden, schilders die hun sporen hebben nagelaten in je werk, historisch of hedendaags?

“Ik ben grote fan van Permeke en Gustave De Smet, en dan vooral de manier waarop ze mensen schilderen en vervormen. Ook Jean Brusselmans. Sommige dingen in mijn werk zijn ook wat overdreven. Ik probeer ook wel niet te veel te kijken naar wat anderen doen, wil me niet té veel laten beïnvloeden. Zodra ik in mijn atelier zit, laat ik me niet graag afleiden.”

Probeer je op de hoogte te blijven van wat generatiegenoten doen?

“Ja, natuurlijk! (resoluut) Ik ga heel vaak naar Art Brussels of Art Antwerp. Heel veel vrienden zijn kunstenaars, dus ik ga ook naar hun werk kijken. Dat vind ik ook belangrijk. Ik heb ook een tijdje voor een galerij gewerkt en veel geleerd over het zakelijke aspect, hoe je een werk verkoopt. Ik vind het belangrijk om me daar ook mee bezig te houden.”

Voel je een verwantschap met anderen? Maak je deel uit van een soort van ‘school’?

“Ik werk figuratief en dat zie je nu veel terugkomen, maar ik vind niet dat ik bij een groep hoor. Ik heb wel groepexpo’s gedaan, maar dan hebben we niet dezelfde stijl. Er zijn wel kunstenaars die ik goed vind en waar ik ook toevallig mee bevriend ben, maar onze werken lijken niet hard op elkaar. Of misschien wel een beetje, omdat we in dezelfde golf of tijd zitten. Of dezelfde leerkracht hadden. Misschien maak ik wel deel uit van een groep, maar dat is dan niet bewust.”



Daarstraks liet je al de termen ‘mode’ en ‘vormgeving’ vallen. Zijn er andere disciplines die een impact hebben op je werk? Literatuur, bijvoorbeeld?

“Niet echt. In mijn vrije tijd ga ik vooral naar expo’s of galerie-openingen, maar literatuur, daar kom ik niet aan toe. Misschien omdat ik vooral heel beeldend denk. Ik hoop dat het mettertijd wel meer komt, dat ik daar wat beter in word.” (lacht)

In welke mate is het voor jou belangrijk om in Brussel te kunnen werken? Heeft het überhaupt een impact op je werk?

“Ja, zeker. Ik zit regelmatig op café mensen te observeren. Dat is vaak een startpunt voor m’n werk. Metrostations zijn ook boeiende locaties, zeker Clemenceau (met werk van Joseph Willaert) en Maalbeek (Benoît van Innis). Ik ben echt een stadsmens. Er moet iets kunnen gebeuren, ik moet ergens naar kunnen kijken. Misschien dat ik daar later anders over denk. Tegelijkertijd zit ik eigenlijk ook veel binnen, zowel thuis als in m’n atelier.”

En deze plek, Walter? Wat betekent die voor jou, nu je tussen twee dozijn anderen werkt?

“Ik ben superblij dat ik hier kan werken. Vaak is het al moeilijk om een atelier te vinden met verwarming, en het is heel leuk om tussen andere kunstenaars te zitten. Ik heb er nog niet zoveel kunnen spreken. Francesco hier naast me is fotograaf, en Sara aan de andere kant is ook schilder, zij maakt totaal ander werk dan mij. We hebben het nog niet veel gehad over elkaars werk, maar ik vind het wel fijn dat er zoveel disciplines samenkomen, en dat er ook muzikanten zijn. In mijn vorige atelier in Ruisbroek was het eenzamer. Hier zie ik steeds weer nieuwe dingen als ik buitenkom, dat was vroeger wel anders.”

-----

Website Kaat Lens

< previous