Interview Wannes Lecompte
Sinds de ingrijpende renovatie is Werkplaats Walter 2.0 uitgegroeid tot een huis gevuld met diverse geluiden en disciplines. Met twee dozijn zijn ze intussen, de kunstenaars, makers en creative professionals. Hoog tijd om ze aan het woord te laten over wie ze zijn en wat ze doen. Als eerste: Wannes Lecompte.
“Ik dénk wel dat ik een schilder ben. Daarnaast gids ik ook in het Museum voor Schone Kunsten en het Magritte Museum in Brussel, en geef ik les in artistieke vakken. Vooral de techniek an sich van schilderen interesseert me en daarbij komen ook nog de ‘toevallige’ houtsculpturen die ontstaan vanuit het maken van mijn duivenhokken. Die werken maak ik ook in functie van schilderen, of toch het ontstaansproces van een schilderij.
In de flyer van je nieuwe expo Zeven beelden en een boek staat deze opvallende zin: “Voor Wannes heeft schilderkunst weinig te maken met de realiteit.” Met wat dan wel?
“Als je kijkt naar een impressionist, dan gebruikt die de wereld als een alibi om een schilderij te maken. Dat heeft met waarneming te maken. Bij mij vertrekt de waarneming niet met kijken naar de buitenwereld, of de realiteit, al is dat woord zo relatief. Het is eigenlijk een filosofische vraag: is kunst een alibi om iets over de werkelijkheid te vertellen? Of is de werkelijkheid een alibi om iets over kunst te vertellen? Ik wil het hebben over het schilderen zelf, niet over maatschappijkritiek. Als tiener heb ik veel brieven uitgewisseld met Roger Raveel. Daar heb ik veel van geleerd. En ook met Raoul De Keyser, die me de essentiële vraag stelde: “Is het olie op doek dat je doet?” Toen is mijn frank gevallen. Sindsdien is de techniek het onderwerp van mijn schilderijen geworden.
Als rechtstreeks antwoord daarop ben ik gaten in de muur gaan boren, heb ik mijn borstels met verf in de muur gestoken, mijn doek vastgenomen en over die borstels gestreken. Dat was geen olie op doek meer, maar doek op olie. Sindsdien ben ik anders gaan nadenken over schilderen. Hoe bekijk je dat, andersom? Letterlijk! Door achter het schilderij te staan en niet te zien wat ik doe, bijvoorbeeld. De afbeelding die erop staat, doet er niet toe, dat is een spoor van de handeling van het schilderen zelf.
Als puber had ik mezelf een belofte gedaan: vanaf nu ga ik zo veel mogelijk richtingen proberen te zien. Daar gaat het over. Het is onnozel, maar essentieel. Dat heeft te maken met de manier waarop ik kijk naar de dingen."
Is het belangrijk voor je dat iemand die naar je werk kijkt dat proces of die manier van kijken ook begrijpt of meekrijgt?
“Eigenlijk niet. Het werk ontstaat en trekt zijn plan zonder mijn proces en uitleg. Het proces is een alibi om een werk te maken. En het moment dat ik zeg… ah tiens, hier heb ik iets gedaan dat mezelf verrast, dan is dat schilderij af. Dat schilderij trekt daarna zijn plan zonder mijn proces of verhaal. Maar ik moet dus eerst verrast worden door iets dat ik nog niet eerder deed. Soms kan dat snel gaan, en dat is heel fijn, die directe manier van schilderen."

Werk je in reeksen?
“Ja, het ontstaat vaak in reeksen, al gebeurt dat de laatste jaren minder. Ik ben een trage schilder. Of nee, ik ben een langzame schilder, dat is een beter woord. Die langzaamheid heb ik nodig. Ik ben ook traag van begrip. En mijn ogen moeten mee kunnen. Je moet kunnen wennen aan iets. Voor ik het schilderij maak, bestaat het nog niet, dus dat vergt tijd. Ik heb het al meegemaakt dat ik er zeker van was dat een schilderij niet af was, en pas maanden later, zonder er iets aan te doen, was het ineens af, omdat het ‘afgekeken’ was. Dat kijkproces is heel belangrijk voor mij. Het leren kennen van nieuw materiaal. Dan moet ik denken aan de allereerste telefoon waarmee ik foto’s kon nemen. Je drukte op die knop en ineens stond er op dat schermpje ‘afbeelding verwerken’. Dat vond ik fantastisch!” (lacht)
Ben je nu ergens specifiek mee bezig?
“Door te verhuizen naar dit atelier en tegelijkertijd orde te scheppen in mijn depot, heb ik er schilderijen uit gehaald om opnieuw mee aan de slag te gaan. Al de schilderijen die daar in die hoek staan zijn overschilderingen van dingen die in mijn depot stonden. Dat is een werk op zich: hoe antwoord ik op een zo consequent mogelijke manier op beelden die er al zijn? Het gaat dan over dingen toevoegen. Alles overschilderen zou zonde zijn, omdat ik er dan niets uit geleerd heb. (lacht) “Het is mislukt”, zeggen ze dan soms, maar mislukt wil zeggen ‘nog niet af’. Een goed schilderij ontstaat vanuit een probleem. Dat is een startpunt om een goed schilderij te maken. Ik worstelde eens met een serie, en ik hing ze naast elkaar en besefte, nondedju, ik zit met een probleem! Dan wist ik wat ik eraan moest doen.”
Je werkt hier in Anderlecht, meer bepaald in de wijk Kuregem. Speelt dat een rol?
“Nee, de omgeving is niet belangrijk. Hoe ouder ik word, hoe minder. Misschien komt het wel terug, dat belang van een omgeving. Ik ben heel blij met het nieuwe groen hier achter mijn atelier, dat betekent meer voor me. Ik smacht naar groen en rust. De plaats, Werkplaats Walter, is wel belangrijk voor me. Die heeft mijn ogen geopend. Wat ik hier bijzonder aan vind, is dat ik aan de koffiemachine niet enkel visuele kunstenaars tegenkom, maar ook muzikanten. Mensen die met een andere taal bezig zijn. Dat helpt me om op een andere manier de dingen aan te pakken in mijn schilderiien, mijn beelden.
Dan is het ook weer duidelijk dat het niet gaat om de beelden die ik maak. Het zou eigenlijk super zijn om werk te maken voor een blinde, zodat het visuele helemaal wegvalt. En bij die muzikanten is dat super, die verschillen tussen hen en de beeldende kunst. Maar ook het idee van de jazz. Waarom komen mensen hier naar de concerten kijken? Omdat ze nieuwsgierig zijn, om dingen te zien ontstaan op een podium die nog niet bestonden voor het concert begon. Klassieke muziek draait om een uitvoering van een partituur. Deze muziek opent m’n ogen.”
Misschien sluit het wel bij elkaar aan? Als je begint te schilderen heb je er ook geen idee van wat er komt. Net als een improviserend muzikant begin je en zie je vervolgens wel waar je eindigt?
“Ik vergelijk het met een sleutelgat. Er gebeurt vanalles tussen de muzikanten: ze zoeken samen en moet allemaal door een klein gaatje. Daar moet het door kunnen. Als het écht een goed concert is, in mijn ervaring, met die concentratie, dat al die muzikanten samen door dat kleine gaatje gaan, dat zijn van die wonderlijke momenten.”
Zijn er andere disciplines waar je inspiratie uit put?
“Performances. Ik doe dat zelf niet veel, maar ik heb dat een periode gedaan, door hier te zijn en muzikanten te ontmoeten. Teun (Verbruggen, oprichter van Werkplaats Walter) had me gevraagd om iets te presenteren tijdens een festival dat hij organiseerde. Hij voelde dat ik als schilder ook wel performance-gevoelig was. Schilderen op een podium zag ik niet zitten. Ik was de afwas aan het doen en stelde me de vraag: wat zou het worden als ik zou doen wat ik deed terwijl ik me die vraag stelde. En dat was de afwas. Beethoven schreef negen symfonieën, dus ik wilde negen performances maken. Beethoven was de eerste van wie ik besefte dat het een kunstenaar was. Ik wilde elke keer iets doen met andere muzikanten en een ‘sculptuur’ maken, niet schilderen, en dat sculptuur deed dienst als ‘afwasbak’. Soms deed het geluid van de afwas mee, soms niet. Het was een wonderlijk avontuur dat ik mezelf cadeau gaf.” (lacht)

Laatste vraag: kan je nog iets vertellen over je expo Zeven beelden en een boek, die zaterdag 14 februari van start gaat?
“In de Rozenkranskapel in Koksijde organiseren ze enkel tentoonstellingen. Geen muziek, omdat de akoestiek er niet geschikt voor is. Ik ben er de ruimte gaan opmeten en heb besloten om zeven schilderijen te maken, ik noem het hier beelden. Zeven beelden in functie van de afmeting van de ruimte. Op een bepaald moment viel er een lichtbundel door de glasramen op de grond, en die heb ik ook afgemeten. Dat was ongeveer 80x100cm. Omdat ik met plaatsgebrek zat in mijn depot dacht ik dat ik alle schilderijen die ik ooit maakte van die afmeting van hun chassis zou kunnen halen, en daar een boek van maken. Ik heb dat altijd indrukwekkend gevonden, zo’n ding om door te bladeren. Dus het wordt ook een boek op de grond, een bundel, een boek in doek. Daarnaast is er ook de Kunstacademie in Koksijde, waar ik tekeningen ga tonen.”
Toon je recent werk?
“De tekeningen zijn niet recent. Het is een bloemlezing van verschillende periodes. Ook met verf, zelfs aquarel. Dat durf ik de laatste jaren ook. Ik heb het lang niet gedurfd, omdat dat een moeilijke techniek is, heel specifiek. Bij olieverf en acryl is het dekkende verf en dan werk je van donker naar licht. Bij aquarel ga je van licht naar donker, want als het erop staat, kan het niet weg. Maar eigenlijk schilder ik ook van licht naar donker met mijn olieverf. De techniek beheerste ik niet goed, maar ik vind het juist daarom wel fijn om mezelf weer te verrassen. Ik toon niet vaak tekeningen, dit is mijn eerste echte tekententoonstelling, dus is het wel interessant om ook ouder werk te tonen. In de kapel zijn het vooral recente schilderijen.”
-----
Wannes Lecompte
Zeven beelden en een boek
14.02.2026 - 19.04.2026
Kapel Rozenkrans en Westhoek Academie Koksijde
Info: www.koksijde.be/tentoonstellingen